Idioom van geluk

De Nederlandse Inge Boulonois is beeldend kunstenaar. Ze volgde haar opleiding van de Academie voor Beeldende Kunst Arnhem. Ze verdiepte zich op veel doeken in ruimtelijke verkenningen maar konterfeitte ook bijzonder knappe portretten en stillevens. Behalve beeldend kunstenaar is Inge Boulonois, geboren Alkmaarse, de laatste jaren ook actief als dichteres. Van 2011 tot 2014 was ze stadsdichter van haar woonplaats Heerhugowaard. Twee jaar geleden verscheen het werk dat ze in die functie maakte in Heerhugowaardse gedichten. Vorig jaar volgde Lichte en bonte gedichten en nu is er de bundel Idioom van geluk.
Het boek bevat zeven afdelingen van respectievelijk zes, tien, negen, acht, zes, zes en acht gedichten met de titels Grenzen – Polyptiek, Van de kleine wereld, Verplaatsingen in tijd, Van ruimte, Idioom van geluk, Palet en Uit de kunst.
In de eerste afdelingen blijft ze dicht bij huis, getuige titels als Muur, Dak, Deur, Drempel (Niets blijft zo volstrekt aan grond gehecht. / De drempel ligt maar stroef en sleets te liggen, / afgemeten recht en stil als een gedachtestreep.), Raam, Schutting, Stoel, Kast en Vaas (Wanneer zij chronisch moe geworden is / van moederlijk moeten zijn bij kalkhard water, hoeft zij niet meer te blijven staan. // Mag wankelen en stukvallen, / het ingebakken geheim van het holst / met eigen scherven tot licht versnijden –).
Vervolgens gaat ze er eens op uit, en belandt ze in een zeilboot, een luchtballon of de grotten van Lascaux (Voor even / leef je in vertraging. Hortend / langs het stenen stripverhaal / trekken schonkige flanken, gruizige hoorns / aan je oplichtend oogwit voorbij.).
Het is onloochenbaar dat ze een dubbeltalent is want in de laatste twee reeksen is de kunst zeer nabij. Zo zingt ze in Palet in de gedichten Wit (Wit koestert al zijn mogelijkheden. / Je wacht met ingehouden adem / op een of ander aanzijn alsof / jijzelf daardoor ook pas ontstaat –), Geel, Blauw, Groen, Rood en Bruin (Bruin is de matheid van kreupele takken, / het craquelé van oude meesterwerken. / Het klopt als melancholie aan je deur –)  de lof van die kleuren.
In Uit de kunst laat Inge Boulonois zich inspireren door werken van achtereenvolgens Johannes Vermeer, Jacob van Ruisdael, Edward Hopper (met straffe regels als Geen geluid stuitert / tegen de gevels. Geen hond // struint rond. Namen sluimeren / in remslaapschrift op ramen.), Hans Holbein de Jonge, nog eens Johannes Vermeer, Giorgio Morandi, Piet Mondriaan (ik vind haar gedicht interessanter dan ’s mans werk) en Vincent van Gogh.
Ik heb deze bundel met genoegen gelezen. Idioom van geluk staat vol trefzekere beelden, en bereikt hopelijk veel aandachtige lezers. Inge Boulonois is overigens helemaal mee met haar tijd en met de techniek want ze maakte van sommige gedichten zelf zogenaamde flashmovies die te bekijken zijn op haar website. O ja, ook nog even vermelden dat ze de mooie omslagfoto zelf maakte.

Idioom van geluk, Inge Boulonois, Uitgeverij Kontrast, Oosterbeek, 2016, ISBN 978 94 92411 02 0


(Bert Bevers)

Mooi aangeharkt slagveld

Het debuut van Lotte Dodion (1987) heet Kanonnenvlees. Een veelzeggende metafoor: de mens als aanmaakhoutje, als verbruiksartikel. Je doet er wat mee en de restjes flikker je weg. Het besef uiteindelijk een lijdend voorwerp te zijn, laat zich overal in deze bundel min of meer subtiel voelen. Wat dat betreft sluit Dodion aan bij de tijdsgeest. De moderne  intermenselijke relaties zijn zeker geen warm bad dat altijd klaar staat. Het ikke ego heerst en loopt onvoorwaardelijke genegenheid/liefde en empathie onder de voet.
Een paradoxale leesbedwelming treedt bij Dodion op: de soepel gecomponeerde reeks gedichten bezorgt je een knagend en hier en daar koud gevoel.
Dodion draagt regelmatig voor (performen heet dat tegenwoordig). Zij doet dat bekwaam en als een poëtisch zuchtmeisje. Als je vervolgens haar teksten zwart op wit ziet, dan is het toch net een slag anders: menselijke betrekkingen worden ontleed en naar waarde geschat.
In de samenstellende delen vallen kilte en berustende onmacht op. Een fraaie vorm, een niet weerbarstige eerste aanblik, en dan - onder de oppervlakte - de kern, die ongemakkelijk is.
De lange slotcyclus is tekenend. Hij begint met een wel erg fors uitgevallen kruis. Er ontstaat een poëtische bidprent voor de nagedachtenis van de liefde. Het onstoffelijk overschot van de hartstocht is bij de dichteres een reeks bijna ingefluisterde ongemakkelijkheden en vragen.
Love is a Battlefield en deelnemers lopen de kans tot kanonnenvlees te worden.

XIV

ik verwacht geen mirakels
de blijde boodschap
dat je nog steeds in mij gelooft
ik hoef ze niet

al wat ik vraag
mis mij
vergeet mij niet

Toch is deze bundel nergens benauwend of deprimerend. Dodion geeft haar verzen lucht en souplesse. De opdracht aan haar moeder en het ontbreken van sentimentaliteit blazen wat warmte aan.

we zitten aan tafel
onderhandelen de voorwaarden
van hoe elkaar nog te verdragen

we brengen het verleden in kaart
de afmetingen van hoe samen wij waren

nu kiezen we kant
verdelen ons land
tot de laatste kamer

dit is de nieuwe wereld
grenzen op papier
afstand bewaken
tot we onbekend terrein zijn

met mijn laatste blik teken ik
we zijn nu vijanden op rust

De omslag van de bundel laat een kogelgat zien, een kunstwerk van Anne Wilson. Het gat is ‘aangebracht’ (geknipt en geborduurd) in een oud wit damasten tafelkleed. Het beeld sluit aan bij de gedichten: een explosieve inslag of aanslag, maar dan wel netjes geborduurd en afgewerkt.
Dit is een beheerste vorm van drama of een dramatische vorm van beheersing. Een geslaagd debuut.

AFTOCHT

ga nu
ga heen
wij water dat door vingers glipt
handen die geen kelk meer
je mond tot de bodem legen
stilte breken als brood

ga nu
in vrede een kruis over
dit zondig huis
het biechten in je schoot
ik zal het nooit meer doen
mij tot je bed bekeren

ik ben een schaap soms
ik offer mijn vlees
maar gezegend mijn bloed
ik kan blijven geloven

ik moet

Kanonnenvlees, Lotte Dodion, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2016, ISBN 978-90-254-4703-8


(Erick Kila)

Een verre stem uit glazen droom

In de Cultuurkapel van Heist op den Berg werd op 12 maart jl. de 15de bundel van de nu 84-jarige Francis De Preter voorgesteld.
De bundel telt drie cycli: Uit de droom geplukt, Geo/Grafisch en Herfsttijloos. Wie, zoals ik, de poëzie van Francis De Preter volgt, weet dat zijn oeuvre draait rond drie grote assen: de natuur, de muziek en Tsjechië. Deze bundel vormt op die thema’s geen uitzondering, al is zijn thematiek hier doorspekt met droombeelden, jeugd- en reisherinneringen. In feite is de droom het uitgangspunt van deze bundel.
Cyclus 1 schetst met Nachttrein een poëtisch beeld dat gestalte geeft aan de droom en als zodanig een ‘vervangende reis’ wordt. In de droom doemen ook de vaderfiguur op, de ouders, het ouderlijk huis, het vergeten paswoord, het telefoonnummer. De droom krijgt metafysische allures door de vragen die hij oproept:
                       
Vader, moeder: zijn ze daar nog ?
Weten ze nog dat ik leef ?

Het rusteloze zoeken zou je kunnen interpreteren als een poging om in het reine te komen met de vele onbeantwoorde vragen van het leven.
Het zoeken naar een huis, een straat, een stad, een herinnering, de ontmoeting met de geliefde,  een moment van geluk : daar spreken deze gedichten van.
De dood is nooit ver weg uit dromenland, zeker als hier een 84-jarige dichter aan het woord is:
                       
Een dag na het sterven
                                                                                   
Een dag na het sterven
gaf de ziel zich over aan het land
drong er zingend in de grondtoon binnen.
Zij trok de sterren naar zich toe
en groef uit de kernen van Bach
naar diepere lagen
waar de kiemen schieten
van krioelende motieven,
levensgeesten, sprekende planten,
luisterend gras.

Toen zweefde de vogel moeiteloos
over het nest van zijn geboorte;
een leeuwerik was de ziel,
zij wiste de afstand
tussen hemel en aarde,
verdronk in een zee van tijd.

De symbiose van natuur en muziek krijgt een metafysische dimensie in dit gedicht. Hier gaat het over de eindeloosheid van de eeuwigheid, zo mooi weergegeven in de twee laatste versregels van het gedicht.

De tweede cyclus Geo/Grafisch bundelt een aantal reisimpressies die met landschap en cultuur te maken hebben, al vragen zij wel een stevige dosis voorkennis: Hindemith en Hölderlin, Georg Trakl, Boris Pasternak passeren de revue, naast Litouwse Klavieren (de muziek van Johannes Bobrowski), een bushalte in Bohemen, Portugal, het soldatenkerkhof van Lommel, om uit te monden in lyrische natuurbespiegelingen zoals alleen De Preter ze formuleren kan en die zo diep de rijke schakeringen van de dichtersziel ontbloten.
De derde cyclus Herfsttijloos geeft in vier gedichten een beeld van de stervende natuur in de herfst en de tijdloosheid van de daarin aanwezige melancholie. Gedichten die stuk voor stuk gelezen en herlezen dienen te worden en vooral: langzaam en aandachtig begrepen.

Dat dient het loon van de dichter te zijn. Een verdiend loon, vind ik.

Een verre stem uit glazen droom, Francis De Preter, Demer Uitgeverij, Diepenbeek, 2016, ISBN 978 1 326 42149 6

(Marc Bruynseraede)

Allesverslindende liefde

Ach, de liefde… Niets heeft de mens zo in de ban, brengt hem in de hoogste sferen of drijft hem tot de diepste wanhoop. Love is the saddest thing when it goes away zingt Frank Sinatra in Once I Loved. Neem het thema van de liefde weg in het gros van de literatuur en de muziek (van popsongs tot opera en alles er tussenin) en het culturele erfgoed wordt tot een minimum herleid.
Murakami zou Murakami niet zijn mocht een boek als Mannen zonder vrouw alleen maar kommer en kwel zijn. Er is meer dan de te verwachten gruwelijke eenzaamheid of verpletterende melancholie. In elk van deze verhalen staan alleenstaande mannen niet alleen centraal in al hun kwetsbaarheid; de schrijver plaatst hen in bijzondere situaties. Een acteur die een vrouwelijke chauffeur inhuurt om tijdens de autoritten zijn teksten te repeteren is maar een voorbeeld.
De mannen die hij opvoert in verhalen als de naar de Beatles songs verwijzende Drive my Car en Yesterday zijn vooral denkers die maar moeizaam met het leven en de liefde kunnen omgaan. Hij observeert en ontleedt het al dan niet gedwongen vrijgezellenbestaan en de bijzonderheden van de man alleen.
Tokai, uit het verhaal Een onafhankelijk orgaan, heeft meerdere minnaressen tegelijk, bij voorkeur getrouwde vrouwen. Hij wordt nooit verliefd en zodra er ook maar een glimp van een donkere wolk boven zijn escapades hangt, weet hij die tijdig te beëindigen. Met een spitse, intelligente vrouw een  goed gesprek voeren tijdens een etentje, of lekker kletsen in bed terwijl ze tegen elkaar aan lagen - dat waren momenten in zijn leven die Tokai koesterde. Als hij dan toch verliefd wordt op een vrouw voor wie hun samenzijn louter een amusant tijdverdrijf was, zal hij uiteindelijk bezwijken onder het liefdesverdriet.
Eén verhaal is een knipoog naar De gedaanteverwisseling van Kafka, waarin een mens verandert in een kever. Murakami draait dit om: een insect verandert in een  man, Gregor Samsa. Hij krijgt bezoek van een slotenmaakster in de gedaante van een gebochelde vrouw. Samsa begrijpt niks van zijn nieuwe situatie, al evenmin iets van zijn plots opduikende erectie.
Alle karakteristieke Murakami ingrediënten zijn hier aanwezig: zijn (vaak zwarte en absurde) humor, zijn universum waar realiteit en surrealistische trekjes, mysterie en sprookjesachtige elementen - ondanks soms schijnbaar vreemde verhaalwendingen - moeiteloos in elkaar overgaan, en niet in het minst zijn steeds meesterlijk beheerste stijl.
Uit Samsa verliefd: Er was in deze wereld veel te veel wat hij nog moest leren. Hoe om te gaan met de liefde, b.v. Het is voor niemand van ons vanzelfsprekend het hoe en waarom van ingewikkelde liefdesperikelen en verwarrend liefdesverdriet te bevatten. Voor mannen zonder vrouw is de wereld één uitgestrekte, schrijnende chaos. Als troost of pleister op wonden die de liefde in ons hart slaat, is er deze - weerom schitterende - Murakami.

Mannen zonder vouwen, Haruki Murakami, uit het Japans vertaald door Jacques Westerhoven, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2016,  ISBN 978 90 254 4660 4


(Roger Nupie)

Bedrieglijk eenvoudig

Leo Lenaerts is een bijna gevaarlijk man. En het meest zichtbare onderwerp van De zwarte brug, de nieuwe roman van auteur Erik Vlaminck. Ik schrijf ‘het meest zichtbare’, omdat er nog heel wat meer gaande is in dit bijzondere werk.
Zo zien we heel duidelijk de evolutie die Leo tijdens verschillende decennia doorloopt, tot hij uitmondt in een soort Vlaamse Travis Bickle. Maar misschien nog belangrijker in het verhaal zijn de redenen waarom zo iemand wordt tot wat hij is. En die redenen zijn van velerlei aard. Leo’s interacties met de andere personages, bijvoorbeeld, zijn een beslissende factor.
Daarbij is het opvallend hoezeer die personages de ruimte krijgen in De zwarte brug. Wanneer je voor het eerst de lijst met familieleden voor je neus krijgt, nog voor het verhaal begint, schrik je even. Hoe ga je hen in hemelsnaam uit elkaar blijven houden? Het blijkt nooit problematisch te worden; meer zelfs, alle personages worden zo raak neergezet dat altijd duidelijk is om wie het gaat, soms met veel, soms met weinig woorden – altijd blijkt het genoeg te zijn om hen te typeren, zonder dat ze karikaturen worden.
Kijk bijvoorbeeld naar de beschrijving van één van Leo’s broers: Jos zit nu godganse dagen in de kamer aan de straatkant. Omdat ze zijn been vlak onder zijn gat hebben afgezet is er geen mogelijkheid om hem een vals been te geven, tenzij een dat wordt opgehangen aan een soort vrouwenkorset dat Jos met nestels en riemen om zijn buik zou moeten binden. (...) Hij praat over niks. Hij sukkelt op zijn ene been van zijn bed naar de stoel naast de tafel en van de stoel naast de tafel naar zijn bed. Op zijn blote voet. Met de ene pijp van zijn pyjamabroek als een slappe vlag bungelend onder zijn lijf. Jos is een oorlogsveteraan. De laatste vergelijking is dan ook zeer treffend, én pijnlijk.
Ook het verdwenen dorp Lillo (nog een thema!) wordt niet neergezet langs paginalange beschrijvingen, maar net des te raker weergegeven via de herinneringen en gevoeligheden van de personages. Daardoor krijgt het dorp niet alleen iets mythisch, maar ook iets heel persoonlijks, en gaat het, meer dan om specifieke huizen en straten, om grote gevoelens als verlies, verandering, en nostalgie.
De roman is geschreven in een bedrieglijk eenvoudige stijl, maar net daardoor denk je langer na over bepaalde beweringen of beelden, zoals het al dan niet stoppen van de breinaalden van Leo’s moeder bij sommige gesprekken. De hoofdstukken worden afgewisseld met lezersbrieven die een verbitterde Leo in recenter tijden naar Vlaamse kranten schrijft. Ze verlenen een richting aan het beschreven verleden, en dat laatste verleent vice versa een oorzakelijkheid aan de brieven.
De zwarte brug is een boek dat ik bijna, vanwege de ‘oervlaamse’ setting, aan me had laten voorbijgaan. En ik zou me schandalig vergist hebben. Dit is een bittere, meeslepende, oprechte, triestige slijkstroom uit Lillo, die onlosmakelijk aan je schoenen blijft kleven.

De zwarte brug, Erik Vlaminck, Uitgeverij Vrijdag/Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2015, ISBN 978 906 001 3638


(Peter De Voecht)

Het hoopvolle licht van Al Galidi

Het spijt me, dagen/ dat ik jullie doorkruist heb./ Mijn excuses voor je minuten en je uren in mij,/ waar niets is dan teleurstelling en spijt.// Nooit had ik me kunnen voorstellen/ dat ik in een prullenbak zou eindigen./ Ik gooi erin waarvan velen beweren dat/ het afval is, en niet ik.// Ach,/ iemand/ gebruikte mij als sloophamer/ om mij vanbinnen af te breken./ Vele grammen hart liet ik achter/ op vele ja’s,/ maar ik heb nog/ één nee/ om mijn hart erin te planten.

Het is maar één van de beklijvende gedichten uit Koelkastlicht van Rodaan Al Galidi.

Heel wat wanhoop, pijn en ontworteling in deze bundel: Minder dan een roep is mijn naam/ minder dan een vingerwijzing mijn plek./ Nederig ben ik, als een gebroken arm./ Ik onderga deze pijn niet omdat ik besta, maar/ omdat ik/bestaan moet. Een en ander heeft onlosmakelijk te maken met zijn levensverhaal. In Irak afgestudeerd als bouwkundig ingenieur, vroeg Al Galidi in 1998 asiel aan in Nederland. Hij verbleef negen jaar in een asielzoekerscentrum.
Hij leerde zichzelf Nederlands en begon te schrijven. In 2000 verscheen de dichtbundel Voor de nachtegaal in het ei. Sindsdien publiceert Al Galidi romans, columns en poëzie.
De dichter wil aan zijn situatie ontsnappen - Ik hecht aan je, leven,/ zoals de wortel de grond/ en jij doorkruist mie/ zoals de hemel de takken. (…) Ik hoor een rivier in mij,/ ik leef. Ik leef. - zoals het licht dat gevangen zit in de koelkast? Ik wil verder vliegen/ dan mijn vleugels./ Open deze koelkast/ en geef mij het universum. Zelfs verrotten/ kan hier niet. Neem de wereld/ en geef mij de dagen van mijn leven. De eerste cyclus eindigt met Leven,/ kom met mij samenwonen./ Ik de muren,/ jij het huis/ voor altijd.
Hij kan zich alleen maar vastklampen aan de taal. Is poëzie het redmiddel? Gedicht, ik heb je geschreven./ Nu ben je van de mensheid. (…) Ga en leer de mensheid eenvoud,/ tolerantie, vergiffenis./ Fluister jezelf alleen/ voor wie het nodig heeft je te horen,/ niet/ voor wie jij het nodig hebt dat ze je horen./ / Zo kun je voor altijd/ stilte blijven.
Al Galidi heeft een ruim palet in de aanbieding en hij kan het zich veroorloven om in de cyclus Losse gedichten die de verkoop van Koelkastlicht mede mogelijk moeten maken - schijnbaar - het een en ander weg te lachen. Deze (zelf)relativering maken de gedichten, en de bundel in zijn geheel, er niet minder indringend om: Normaal gesproken/ leg ik mijn gedachten op papier/ maar twee weken geleden legde ik een ei. (…) Wat komt eruit?/ Hopelijk geen asielzoeker.
Koelkastlicht is een indrukwekkende en veelzijdige bundel. Door de directe toon, de kracht van de zegging en de diepmenselijke thematiek vindt de poëzie van Al Galidi onverwijld de weg naar het hart en de ziel van de lezer.

Koelkastlicht, Rodaan Al Galidi, Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2016, ISBN 978 94 919 2121 6


(Roger Nupie)

Wij vreemden

Je mag je afvragen wat een uitgever als Gerrit Westerveld bezield mag hebben om een jonge Roeselaarse dichtersvogel onder de arm te nemen, om dit bundeltje uit te geven.
Als naar gewoonte is deze blauw-rode uitgave op gevergeerd papier uiterst verzorgd vormgegeven. De taal van Edward Hoornaert doet daarentegen heel bevreemdend aan. Je vraagt je bij voortduring af wat je eigenlijk aan het lezen bent en of het klopt wat Charles Bukowski schreef: Poëzie is wat er gebeurt, wanneer er niets anders kan gebeuren.

In scène
                       
ik ben hier niet om nieuw te maken
het gruis in een of andere vorm te gieten
                       
ik ben hier om het gewonde lichaam
van het vocht te scheiden, het gejammer
uit de rots te splijten en verder te doen zingen

ik ben hierom wat aan scène overblijft:
een ruwe plankenvloer, een lege vogelkooi
en spartelende vissen
                       
De gedichten in de eerste cyclus Het botsen en de bal hebben allemaal een soort gemis gemeen, al valt dit gemis moeilijk nader te omschrijven. Is het een zich ongemakkelijk bewegen in de dagelijkse realiteit of het betwijfelen van het definitieve nut ervan?

Het onvolmaakte

er moet een evenwicht zijn
dat zacht tussen de  uitgestrekte
armen kan bewegen, de weelde van
de val onhandig streelt en zich daarna herpakt

er moet een evenwicht zijn dat niet van tel is
voor wie maar geen hoogte van zichzelf kan krijgen

De cyclus Wij vreemden opent met het toepasselijk gedicht Trompe l’oeil en zet de vervreemding vlijtig verder in sierlijk geschreven en geformuleerde gedichten, als was er geen vuiltje aan de lucht:
                       
Vloeiing

alles heeft zijn vaste vorm                
op steeds een andere plek                 

een steen schiet weg als bliksem uitgerold
de straat schuift ons de weelde van haar wielen toe

wij zijn het kind dat kijkt naar links en rechts
wij zijn het kind dat uit zichzelf de stap niet zet

wat ons ontglipt is wie niet zag

(traag tekent zich het remspoor af
wij blijven roerloos achter in de wind)

De derde en laatste cyclus van deze triptiek somt nog een aantal gedichten op, als ware het achteloos achtergelaten kartonnen dozen, met een onbestemde inhoud, in een verlaten, leegstaand huis. De cyclus heet dan ook toepasselijk Ons toebehoren. Het lijkt alsof de dichter berust in de zinloosheid der dingen, weliswaar in bellettrie verwoord:

Stilleven

de rivier is dolgedraaid
een bocht van niets

meer ruimte is niet nodig
om van huid en hart het sterven te herinneren

een man zoekt in zijn schommelstoel
vergeefs het juiste evenwicht

zijn eelterige voeten tasten naar
een ongelijke bodem

de lucht is ijl, als van een schilderij
dat onvoltooid blijft

hangen in de tijd

Misschien moeten wij de gedichten nog enkele jaren op eiken vaten laten rusten en/of over enige tijd hopen dat er nog nieuwe verzen van Hoornaert hoorbaar en leesbaar zullen worden die de mist van het gemis wat laten opklaren.

Wij vreemden, Edward Hoornaert, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2016, ISBN 978 90 76644 78 3


(Marc Bruynseraede)

As

Reeds decennia lang neem ik regelmatig een van de bundels van Patrick Conrad uit de kast. Ik heb het werk van deze dichter immer een warm hart toegedragen. Ik begrijp mensen die vinden dat zijn gedichten soms te rococoachtig zijn, die menen dat hij (te) veel aan namedropping doet en zijn gedichten wat meer uit zou moeten balanceren maar toch heb ik er altijd van gehouden. Ik vind het dan ook een goede zaak dat zijn poëzie (uitwaaierend van 1963 tot 2014) nu verzameld is in As, een bijzonder kloek boek. Conrad is behalve dichter ook begenadigd tekenaar, en het mag dan ook alleen maar toegejuicht worden dan ook de illustraties uit de oorspronkelijke bundels hier afgedrukt zijn. Een genot voor het oog. Behalve dichter en begenadigd tekenaar is Conrad ook een talentvol cineast (zo draaide hij een film als Mascara, met niemand minder dan Charlotte Rampling in de hoofdrol). Het mag dan ook geen verbazing wekkend dat zijn werk (net als dat van zijn jongere collega-dichter en -filmer Jess De Gruyter) doordrenkt is van verwijzingen naar acteurs, actrices en films. Alleen in de bundel De tranen van Mary Pickford (1991) al zijn verzen geschreven bij Pickford, Ida Lupino, Sybille Schmitz, Rampling, Joan Crawford, Grace Kelly, Marlene Dietrich (treffend: Nooit heeft ze haar kooi van kant, / haar cocon van pels en parels verlaten, / zelfs niet wanneer ’s avonds in het slijk soldaten / haar mama noemden, voor het slapen.), Veronica Lake, Frances Farmer, Mae West, Telma Todd, Sylvia Kristel en Ava Gardner.
Als cinefiel lees ik ook de Intermission – Showing some of the people and stars who stood and stand out, there is no panic in Hollywood, twee volle bladzijden met namen van filmsterren en regisseurs in klein lettertype (overgenomen uit La mort s’appelle bonsoir (1976), helemaal. Van Bud Abbott tot en met Adolph Zukor. Krab daarbij wel regelmatig achter mijn oren. Waarom Randolph Scott wel meegenomen en Glenn Ford niet? Waarom Steve Reeves wel, en Gordon Scott niet?
De bloemlezing werd voorbeeldig bezorgd door Matthijs de Ridder, die ook de nodige correcties doorvoerde al bleven er wat foutjes hangen. Zo was het motto van Rest in piece (moet dat echt niet peace zijn?) uit 11 Sad Songs For Edward Kienholz (1971) in de oorspronkelijke uitgave van Barry Rayan. Dat is nu gecorrigeerd in Barry (allez: B.) Ryan, maar het citaat zelf klopt nog steeds niet: Kitsch is a beautiful word, is a beautiful word, is a beautiful word zingt hij nergens in Kitsch. Correct is: Kitsch is a beautiful word, it’s a beautiful word, it’s a beautiful lullabye.
De uitgave van dik 750 bladzijden bevat van alle afzonderlijk verschenen bundels ook de afbeelding van het originele omslag, in een mooie en originele vormgeving. As is een boek voor op het nachtkastje.
Al in zijn vroegste werk stonden regels die ik nog steeds met liefde meedraag. Zoals de sneeuw is koud omdat ze naakt is….

As – Gedichten 1963-2014, Patrick Conrad, Poëziecentrum, Gent, 2015, ISBN 978 9056 551964

(Bert Bevers)



Adonis eindelijk in het Nederlands

Adonis wordt beschouwd als de grootste en invloedrijkste levende Arabische dichter. In 2011 ontving hij in Duitsland de prestigieuze Goethe-prijs. Zijn naam duikt geregeld op als Nobelprijskandidaat. Toch was zijn werk nauwelijks vertaald in het Nederlands, op enkele gedichten in de bloemlezing Brug tussen twee culturen, Arabische en Nederlandse poëzie gebundeld (Stichting El Hizjra, Amsterdam, 1992) na. Eric Bolle was zowat de enige die aandacht aan zijn werk besteedde in zijn essay Wortelen in je eigen voetstappen, inleiding tot de poëzie van Adonis in het tijdschrift Streven (januari 2008).
Wat blijft is dan ook een primeur: met 47 gedichten is dit is de eerste bloemlezing in het Nederlands uit het omvangrijk oeuvre van de in 1930 in Syrië - toen nog mandaatgebied van Frankrijk - als Ali Ahmad Said Esber geboren dichter. En er is meer: wat ons van de Arabische poëzie in het Nederlands bereikt is vaak via omwegen vertaald, niet zelden uitsluitend gebaseerd op eerder verschenen vertalingen in het Frans en het Engels. Dat is hier niet het geval. De vaste vertalers Arabisch van Poetry International hebben voor deze uitgave de handen in elkaar geslagen: Kees Nijland en Assad Jaber, voor wie het Arabisch zijn moedertaal is.
Tevens een pluim voor dit initiatief voor Jurgen Maas. Na een opleiding journalistiek en politicologie werkzaam als presentator en radiomaker bij de IKON, focust zijn uitgeverij op literaire en journalistieke non-fictie en proza en poëzie zowel in het Nederlands als in vertaling, met bijzondere aandacht voor de multiculturele samenleving, Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Adonis belandde in de jaren vijftig in de gevangenis wegens verboden politieke activiteiten en radicale opvattingen. Hij vlucht naar Libanon, waar volgens de mythe Adonis, de God van de schoonheid, het levenslicht zag. Als daar de zoveelste burgeroorlog uitbarst vestigt hij zich in Parijs. Telkens als ik zei: / Dit land van mij is dichtbij / bloeit in een nabije taal / Een tweede taal / wierp mij naar een ander land.
Hij slaat in zijn werk een brug tussen de klassieke Arabische poëzie, het experiment en de moderne westerse poëziestromingen. Hij spaart zijn maatschappijkritiek niet (het heden is een slachthuis / de beschaving een nucleaire oven) en verheft ingrijpende en realistische gebeurtenissen op wonderlijke wijze tot een mythisch karakter (Mijn mystiek is ontdaan van iedere religieuze inhoud) en dat in zowel erg korte gedichten als bladzijdenlange lyriek.
Er is Arabische poëzie vóór Adonis en er is Arabische poëzie na Adonis (Samuel Hazo). En die is er nu in het Nederlands, om te blijven.
Wat blijft / en ontsteekt voor geliefden de kaarsen van onze dagen?/ Welke woorden blijven/ uit de woordenboeken van onze ingewanden en ledematen/ uit onze legenden van een ver verleden?// Wat blijft/ behalve wat onze moordenaars zeiden:/ Wij schreven ons verlangen met bittere inkt/ leefden zonder wijsheid/ en woonden in een gedicht.

Wat blijft, Gedichten, Adonis, uit het Arabisch vertaald door Kees Nijland en Assad Jaber, voorwoord Ahmed Aboutaleb, Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2016, ISBN 978 94 919 2117 9.

(Roger Nupie)

Wie hier binnentreedt

De Nederlandse dichteres Hedwig Selles debuteerde in 2001 met Jaarringen. Met Wie hier binnentreedt is zij aan haar vierde bundel toe. Dat de titel meteen doet denken aan de slotverzen uit de achtste Canto van de Divina Commedia van Alighieri Dante is een open deur intrappen. Maar het lijkt alsof Selles daar bewust voor gekozen heeft. Dat is niet alleen moedig maar neigt zelfs naar hoogmoed. Het schept hoge verwachtingen en scherpt de pen van de criticus, niet in het minst als je merkt hoe ze dat beroemde vers parafraseert in dat eerste gedicht: Wie hier binnentreedt doet eerst een wens.
Je denkt meteen waar dit naartoe moet, deze eigenwaan. Het maakt tezelfdertijd nieuwsgierig en sceptisch. Maar al lezende neemt de nieuwsgierigheid over en laat je je binnenleiden in de wondere wereld van de dichteres en haar kennelijke zelfkennis: de regen liep mee met de rondleiding, let wel / een lichte vorm van aanstellerij is mij niet vreemd / ik noteerde de onuitwisbare lach van een natte / ambulance veraf ik waste mijn handen / weer iemand in de grond verdwenen.
Deze verzen uit het gedicht Opmars, rondleiding zijn typisch voor deze poëzie. Een licht sarcasme, een beetje vanuit de hoogte om dan met een kunstige salto neer te komen in de eigen realiteit.
Het moet gezegd: het verleidt en intrigeert. De juxtapositie van beelden, de onverwachte beeldspraak en het combineren van ogenschijnlijk niet bij elkaar horende adjectieven en substantieven versterken dit nog. Zoals bijvoorbeeld in Angry Birds: Een vorm van harmonie op het platte vlak / terwijl er over kleur niet veel / te zeggen viel: een gruizig geel met wit of in Bonkers en kattenogen: Wij zijn knikkers / wij kunnen niet dichter in elkaar / dan tegen elkaar aan […] ik waagde alles behalve mezelf blind / tegen je aan te stoten. / Als dit het niet is wat dan wel?
Selles schrijft beheerst en munt uit door een beeldrijke taal, die ze bijzonder origineel gebruikt. Ze lijkt zich daar ook van bewust en dat leidt soms tot overdaad en af en toe tot trivialiteit zoals in een vlucht wildwitte ooievaars, flitsende signaaltjes, broze katjes / onschadelijke beestjes, wat bescherming bood / tegen een schamel zelf / tegen blokkades van het middenrif / om paniekziektes te bestrijden: met onaangekondigde gedachten. Dit is jammer. Want zo verbreekt het overvloedig gebruik van adjectieven, de vaak al te doorzichtige alliteratie de prangende sfeer, de poëtische zegging, het ritme en verwatert zo de pregnante zeggingskracht, die duidelijk uit het gedicht wil spreken.
In wezen heeft Selles echt dichterlijk talent maar ze moet dat talent doseren. Haar verzen nog meer terugbrengen naar het essentiële. Dat vraagt zelfkritiek en nederigheid voor de taal en daarom is de titel van haar bundel misschien toch niet zo een goede keuze. Tezelfdertijd mag het niet beletten dat je haar vaak onthutsende wereld niet zou binnentreden al of niet met een wens.

Wie hier binnentreedt, Hedwig Selles, 2015, Uitgeverij Vrijdag, Antwerpen, 2015, ISBN 978-94-6001-375-1

(Richard Foqué)

Tumult en tijd

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) wordt beschouwd als de grootste Russische componist van de 20ste eeuw, met een indrukwekkend palmares: symfonieën, opera’s, strijkkwartetten, kamermuziek, koorwerken en muziek voor theater en films.
Er werd al heel wat over hem geschreven. In het Nederlands verschenen er een vijftal publicaties: van Eric Roseberry en Jos van Leeuwen (Sjostakovitsj), Theodore van Houten (Dmitri Sjostakovitsj, Een leven in angst), Krzysztof Meyer (Sjostakovitsj. Zijn leven, zijn werk, zijn tijd) en Solomon Volkov tot twee keer toe: Dmitri Sjostakovitsj: Getuigenis en Sjostakovitsj en Stalin, de kunstenaar en de tsaar.
Julian Barnes liet zich inspireren door het leven van de componist in zijn roman of fictionele biografie Het tumult van de tijd. Het beeld van Sjostakovitsj die nachtenlang alleen, met een koffertje in de hand, staat te wachten naast de lift van een flatgebouw in Leningrad slaat in. Angst om opgepakt te worden door de willekeur van het heersend regime. Alleen omdat hij tracht te voorkomen dat de geheime dienst ook zijn vrouw en pas geboren kind zou meenemen. Het is een wijdverspreide anekdote, waarvan de echtheid nooit bewezen is, maar het is best aannemelijk voor iemand die in de toenmalige Sovjet-Unie onder het bewind van Stalin, en later Chroesjtsjov, op artistiek vlak actief was.
Sjostakovitsj stond zijn hele leven lang onder druk van de machthebbers, die eisten dat zijn muziek optimistisch klonk en een vaderlandslievend eerbetoon was aan de communistische waarden. Zijn werk werd door de bureaucraten van het regime beoordeeld en afwisselend zowel verguisd en verboden als geprezen en van staatswege onderscheiden – al naargelang hoe het petje van de machthebbers stond.
We leren hem kennen als een man die het niet eens was met het Sovjetregime, maar tegen zijn eigen geweten in nooit zijn kritiek heeft geuit, om zichzelf en zijn familie te behoeden voor represailles. Een wat pessimistische, bange man die zonder te weten wat er hem op welk moment dan ook boven het hoofd hing en ondanks alle tegenkantingen, maar een ding wou doen: componeren.
Wellicht door het herhaalde procedé van Sjostakovitsj’ herinneringen die komen bovendrijven, krijgt de roman iets voorspelbaars, waardoor de spanning al eens durft te verdwijnen. Barnes schetst evenwel een sterk overtuigend beeld van de absurditeit van het Sovjetbewind en de invloed hiervan op het persoonlijk en artistiek leven van de componist.
Door muziekcriticus Kasper Jansen omschreven als de muzikaal chroniqueur van de heftig bewogen historie van de Sovjet-Unie, stierf Sjostakovitsj in 1975 op 68-jarige leeftijd. Hij kreeg heel keurig een staatsbegrafenis in Moskou.
Hoe tragisch het leven van een kunstenaar ook is, en hoe hij ook wordt tegengewerkt door een politiek regime, de hoop blijft bestaan dat zijn werk zal verder leven. De kunst is de fluistering van de geschiedenis, die boven het tumult van de tijd uit is te horen. Zijn Vijfde Symfonie lijkt hier wel toepasselijk: tragisch begin, triomfantelijke finale…

Het tumult van de tijd, Julian Barnes, vertaald door Ronald Vlek, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2016, ISBN 978 90 254 4661 1


(Roger Nupie)

All That Is Solid Melts Into Air

Met een smeltend blok ijs in de koffer van haar wagen rijdt Eva terug naar haar geboortedorp om af te rekenen met haar verleden en al degenen die daarin een kwalijke rol speelden. Dat is de opzet van Het Smelt van Lize Spit, dé debuut-bestseller van de laatste jaren. Net zoals zoveel in het boek, is die opzet vooral bedrieglijk eenvoudig.
Het verhaal is a-chronologisch geschreven. Dat zorgt ervoor dat je als lezer(es) ook meer betrokken wordt en je net zoals Eva via het verhaal vat probeert te krijgen op de gebeurtenissen in Bovenmeer van meer dan tien jaar geleden. Terzelfder tijd zorgt het afwisselen tussen heden en verleden ervoor dat je ook de relevantie van dat verleden voor dat heden ziet. En, zo stelt Eva, er zijn nog steeds dingen die elkaar mogelijk maken.
Al komt het boek wat traag op gang, toch verveelt het niet, omdat tijdig enkele belangrijke elementen aangehaald worden: het blok ijs, het gekwelde hoofdpersonage, en een ongemakkelijke, bedwelmende en vooral onheilspellende sfeer. De manier waarop we daarbij beperkt worden tot Eva’s blik werkt daarbij erg goed. Je kan je afvragen of heel de weergave van het verhaal net de wijze is waarop Eva het verleden wil trachten te bezweren: als het gezien wordt, is het misschien net iets minder erg.
Veel valt ook te zeggen over de treffende observaties van Eva. Geregeld lijken die de vorm te krijgen van de negatieve ruimte rondom een (vaak pijnlijk) gegeven, zoals bij:

Niet lang geleden las ik ergens dat het bedrag dat een roker jaarlijks aan sigaretten besteedt genoeg is om van op vakantie te gaan. Niemand onderzocht of er ook mensen zijn die roken net om niet met hun hele gezin op reis te moeten.

Deze benadering werkt echter ook op grotere schaal: de beperkte blik op de gebeurtenissen langs de reflecties van Eva horen hierbij. Meer zelfs, zonder al te veel te willen verklappen: eigenlijk werkt het hele boek zo, inclusief het raadsel dat centraal staat in het boek én de titel van de roman. Je kunt enkel omgekeerd te werk gaan: alles dat op leven wijst uitsluiten tot op den duur alleen nog het tegendeel overblijft. De titel, tenslotte, wijst ook op meer dan je eerst zou denken: die wijst namelijk ook naar een zeker proces. Er is zoveel dat smelt, en misschien nooit meer solide zal worden.
Het doet deugd om te zien dat Lize Spit zich ook niet in heeft gehouden: ze schreef wat geschreven moest worden. Het verleent authenticiteit aan het boek (zonder daarbij eventuele – eigenlijk irrelevante – biografische aspecten te willen betrekken), een oprechtheid die volgens mij een zeer belangrijke factor is gebleken in het gigantische succes van het boek.
Misschien is wel het grootste nadeel aan een hype dat het onderwerp ervan veel gevaar loopt om oppervlakkiger benaderd te worden vanwege de enorme veelheid van blikken. Daarom slechts één conclusie: laat je niet vangen door de hype. En dat bedoel ik in positieve zin.

Het smelt, Lize Spit, Das Mag, Amsterdam, 2016, ISBN 978 90 824 1061 7


(Peter De Voecht)

Bianca blues

Voor zijn derde poëziebundel schreef David Troch vijftig kinky gedichten over Bianca, een onschuldig meisje dat plots een internationaal topmodel wordt. De titel is raak: Bianca is Italiaans voor wit, glanzend. Het tweede woord uit de titel verwijst naar de melancholische muziekstijl blues.
Vierenveertig korte gedichten gaan expliciet over de modellencarrière van Bianca. Hij wisselt af met ‘intermezzogedichten’: er is een herinnering, behoorlijk/ vaag/ maar een herinnering. potpourri/ in het kleinste kamertje, boomgaardbloesems./ het vooruitzicht van kersen, peren, pruimen,/ de wankele ladder, op de hoogste trede/ de reikende hand van vader en moeder/ die het woord voorzichtig te pas/ en te onpas van de lippen laat glippen. We tellen zes herinneringen, zij beginnen alle met dezelfde eerste versregel. Reminiscenties aan Bianca’s idyllische jeugd op het platteland, om de tien, negen, acht, zeven en zes gedichten toegevoegd. Heeft David willen aantonen dat een modellencarrière zich op schitterende wijze kan ontvouwen, 10 gedichten lang, maar dat de ontgoochelingen mekaar altijd maar vlugger opvolgen?
Voor Bianca is het plotseling gedaan, als zij wordt vervangen door jongere modellen:  … tot een lijf met een preciezere lijn/ het uitverkoren prinsesje mag zijn/ …. einde sprookje./ bianca leert benijden/… nu zij het is/ die zich door jonkies uit de markt laat prijzen. Het leven van topmodel, vol glitter en glamour, genereert in wezen heel wat tristesse. Overgeleverd aan couturiers, fotografen, visagisten, diëtisten, cineasten, vrijpostige individuen en alle soorten bullebakken, leert Bianca natrappen op stiletto’s. Zij logeert in luxueuze hotelkamers en duplexappartementen, reist heel de wereld rond, shopt in Milaan, Miami, Parijs, gaat joggen in Central Park, bezoekt de Tai Mahal… en verspeelt zo haar precieuze tienerjaren. Ook op het thuisfront gaat het niet al te best: haar moeder verongelukt, haar vader wil niet meer leven. Bianca maakt kennis met de keerzijde van de medaille: partycrashen, drugs en ‘verkeerde mannen’. Zij beseft: alles van waarde/ past ternauwernood in een beautycase. De dichter besluit: een abrupt einde sluit/ aan bij de wegwerpmaatschappij.
David Troch, stadsdichter van Gent, beheerst zijn vak uitstekend. Zijn verzen zijn spits, soepel, flitsend, zijn woordgebruik vindingrijk en actueel. Jonge Vlaamse dichters schrijven poëzie als doen zij mee aan een partijtje gym, zij spelen met woorden en beelden, verplaatsen zich lenig van het ene vers naar het andere - zonder de wetten van verdichting geweld aan te doen. David Troch swingt de Bianca blues. De tristesse omgezet in een soort dans, een abstract uitbeelden van pijn en ellende. Terwijl in de oorspronkelijke blues klanken uit de mineur toonladder, in combinatie met de majeur toonladder met vervormde stem aan worden gezongen, om zo te komen tot een glissando dirty effect, schrijft hij een frissere, maar daarom niet minder dramatische interpretatie van de blues.
Bianca blues is sober uitgegeven, met als enige luxe een glanzend kaftontwerp van Karakters in Gent. Model Aida Gabriëls prijkt op de voorzijde, aan de achterkant een foto van een langoureus kijkende David Troch.

Bianca blues, David Troch, Uitgeverij Poëziecentrum, Gent, 2015, ISBN 9789056552763


(Nicole Van Overstraeten)

Vurig engagement

A.H.J. Dautzenberg is sinds zijn debuut in 2010 (Vogels met zwarte poten kun je niet vreten) bijzonder productief als schrijver van essays, poëzie, romans, toneel en verhalen. Dit ging niet ongemerkt voorbij: hij werd door het NRC Handelsblad uitgeroepen tot een van de belangrijkste nieuwkomers  van de afgelopen jaren.
In Vuur!, met een lucifer als uitroepteken, selecteerde hij fragmenten uit het werk van 50 Nederlandse en Vlaamse schrijvers voor wie het maatschappelijk engagement heilig is. Deze selectie hemelbestormers, idealisten en wereldverbeteraars (…) Schrijvers die het verschil willen maken. Schrijvers die niet bang zijn om het establishment tegen de haren in te strijken. Schrijvers die bereid zijn risico’s te nemen wordt voorafgegaan door een pittig voorwoord.
Dautzenberg merkt terecht op dat geëngageerde schrijvers als Bertold Brecht, George Orwell, Emile Zola en Pablo Neruda in hun geboorteland de nodige eer kregen toegewezen, terwijl deze categorie auteurs in ons taalgebied – volgens hem minder in Vlaanderen dan in Nederland - al snel een probleem hebben.
Hoe komt het dat Auke Hulst in een recensie over zijn roman Slaap zacht, Johnny Idaho, waarin hij de uitwassen van het laatkapitalisme aan de orde stelt, kon rekenen op een uitspraak als: Voor één keer vergeven we hem zijn engagement omdat we in hem als schrijver blijven geloven, daarvan getuigen genoeg knappe dialogen en scènes in deze roman…? Er waren wel meer recensenten die het moeilijk had met zijn engagement, ironisch genoeg in de weken na de aanslag op Charlie Hebdo, een periode waarin de media de mond vol hadden van een maatschappijkritische houding van kunstenaars, en de vrijheid van meningsuiting als wettig betaalmiddel van hand tot hand ging.
Waarom werden Multatuli en Louis Paul Boon aanvankelijk afgedaan als schrijvers van pamflettistische geschriften? Waarom neemt de kritiek op het engagement van Arnold Grunberg toe? Vanwaar toch die felheid tegen engagement, vraagt Dautzenberg zich af. Ik begin te denken dat de meeste schrijvers en recensenten niet opgewassen zijn tegen de boze buitenwereld.
Bij de vijftig fragmenten treffen we evengoed grote namen aan als relatief of volstrekt onbekenden, voorafgegaan door een korte situering van de auteur en zijn werk en dat alles keurig in chronologische volgorde, van 1511 (Erasmus, Lof der zotheid) tot 2015 met werk van Hulst en Grunberg.
Op de flaptekst lezen we: VUUR! is een hommage én een aansporing. Daar is A.H.J. Dautzenberg beslist in geslaagd met zijn keuze auteurs die de gore moed hadden om aandacht op te eisen voor thema’s als antisemitisme, flamingantisme, homoseksualiteit en kolonialisme en daar met passie en vuur! over schreven, hopend op betere tijden en een voor iedereen leefbare maatschappij. Dit kan geen weldenkend mens onverschillig laten.
Voor Vladimir Nabokov was engagement een vies woord. Hij had geen hoog petje op van romans met een boodschap: tijdgebonden geklets! Deze bloemlezing maakt deze stelling met de grond gelijk.

Vuur! bezieling en betrokkenheid in de Nederlandstalige letteren, samenstelling en inleiding A.H.J. Dautzenberg, Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen, 2015, 978 90 254 4569 0 


(Roger Nupie)

Bosch, bezocht en ontsloten

2016 is het jaar dat Jheronimus Bosch, Nederlands beroemdste middeleeuwse kunstenaar, vijfhonderd jaar geleden overleed. Naast de grootste overzichtstentoonstelling van Bosch ooit, die te zien was in Het Noord-Brabants Museum, staat dit hele jaar in het teken van allerlei activiteiten ter ere van de fantasierijke schilder die wel eens als een duivelskunstenaar werd omschreven.
Beeldend kunstenaar en dichter Pien Storm van Leeuwen (van bundels als Zinder, Geheimend Blauw en Akkers en Zeevlam) nodigde ter gelegenheid van het Bosch jaar een dertigtal dichters uit een gedicht te schrijven bij zijn werk. De gedichten en desbetreffende afbeeldingen van de schilderijen die ter inspiratie dienden werden opgenomen in Vroom, frivool, vilein - poëtische vensters op Jheronimus Bosch. Maar er is meer: deze uiterst verzorgde uitgave opent met een inleiding van Pien Storm van Leeuwen over leven en werk van de kunstenaar, met bijzondere aandacht voor zijn beeldtaal en metaforen, geïllustreerd met details uit zijn schilderijen.
De samenstelster zette al eerder een project op waarbij in steen gebeitelde gedichten te velde worden gelegd. Naar aanleiding van deze ‘poosplaatsen’ stelde zij tevens zeven bloemlezingen samen. Twee van de gedichten uit deze bundel zijn ook op zo’n poosplaats terecht gekomen. Een ervan is van haarzelf: hoe beelddichter Jheronimus Bosch ons telkens weer verleidt/ tot raadselreis in ‘t ongerijmde van bizarre dromen/ bevlogen door gedrochten en demonen/ schuil in het duistere denken/ van zijn tijden. Het tweede is van Els van Stalborch: Zal ik ooit weten wie je bent,/ de ziener van de menselijke ziel,/ de duivelmaker uit het schaduwrijk,/ het raadselend genie dat gaatjes prikte/ in de tijd, onbewuste beelden wekte/ en weergaloos herschiep en nog./ Je raakt me diep, maar weten….
Boeiend en verrassend te lezen wat het werk van Bosch ook bij de andere dichters teweegbracht, onder meer bij Lut de Block, Catharina Boer (Tuin der Lusten), Frans A. Brocatus (mijn voeten tillen uw onderrokken, / mijn handen flakkeren op uw voeten en de uwe voel ik, / ze spartelen als kwieke vissen. Mijn lepel duwt en staat), Maarten van den Elzen, Christina Guirlande (een kerstgedicht), Albert Hagenaars (Het narrenschip), Marijke van Hooff, Joris Iven, Geert De Kockere, Marije Kos (Van alle tijden), Frans Kuipers, Bert Bevers, Wim van Til en Victor Vroomkoning (Van de EROS en de UIL).
Voor wie het Bosch jaar en het oeuvre van de schilder wil binnentreden is dit een aangename gids, zowel door de poëzie die een venster opent op Jheronimus Bosch als door de inleiding van de samenstelster die de karakteristieken en drijfkrachten van zijn oeuvre ontsluit.
In het gedicht De oase van Hannie Rouweler lezen we: de geest uitgeput van tijd en beproeving / wordt stilaan verlost / een openbaring drijft in de ochtendstilte / de lange reis die nog moet worden gemaakt). Die reis naar de betoverende wereld van Jheronimus Bosch kan nu beginnen.

Vroom, frivool, vilein - poëtische vensters op Jheronimus Bosch, samenstelling en inleiding; Pien Storm van Leeuwen, Stichting TrajarT i.s.m. Uitgeverij Ceedata, Chaam, 2016,  ISBN 978 90 71947 51 3


(Roger Nupie)

Het scheve meisje

Heb me even een meisje gevoeld. Zó wist Yvon Né me mee te slepen in haar herinneringen aan haar jongste jaren, in Het scheve meisje.
Om te beginnen een paar kanttekeningen want het boek kent incorrecte zinnen als De verhalen zijn spannend en het gedrag van de hoofdpersonen raadselachtig. en Elke ruimte heeft haar helden. Elke kamer. Ja, elk moment.
Ook trof me de discrepantie tussen Er staat in het nieuwe huis niet één meubel meer dat aan onze vroegere woningen herinnert. Waar ze zijn gebleven en of ze naar andere plaatsen zijn gebracht weet ik niet. We zijn ze kwijt. (bladzijden 183/184) en Ik verschans me achter de oude zitbank die lang geleden in de woonkamer van onze flat stond. (pagina 248)
Daartegenover staan echter talloze kostelijke frasen als Uit woorden van vader heb ik een vaag idee van oorlog. Het is een ruzie die zo groot is dat hij niet meer in kamers en huizen past. en Als een vis heb ik geprobeerd weg te glippen uit het deinende sleepnet van september.
Yvon Né, die tot nu toe vooral naam maakte als dichter en beeldend kunstenaar, mist met Het scheve meisje haar intrede in de wereld van de romans niet. Niet alleen spat het schrijfplezier van de bladzijden af, je merkt ook het hele boek door dat ze als vanzelf poëtische beelden aaneen knoopt zonder dat er iets geforceerd overkomt. Beelden vallen door mijn hoofd. Ik val met ze mee. Langs vuile waskrijtjes. In de gedaante van hoge populieren staan ze langs wegen. Je weet allemaal dat er ooit een tijd is geweest dat je nog niet kon lezen, maar bent daar het fijne van vergeten. Né beschrijft die alsof het gisteren was. Al van jongs af denkt ze in beelden, tekent ze als een bezetene. En dan komen er ook nog letters bij! Strips, kunstboeken uit haar vaders kast en het gezinsweekblad Panorama: ze was er reeds dol op toen ze nog niet kon lezen, want de plaatjes prikkelden haar fantasie. Letters en plaatjes blijven een constante in haar leven.
Heerlijk hoe gedetailleerd ze de plaatsen beschrijft waar ze als kind woonde, en de mensen die die bevolkten. Eerst in de Nieuwstraat, de Breitnerstraat en de Perestraat in Goes, later in de Jacoba van Beierenstraat in het nabije ’s-Heer Hendrikskinderen.
 Een mooi voorbeeld van haar oog voor detail: Voor me ligt mijn eerste ringband, dik van de vellen geperforeerd papier met lijntjes. Zo’n map met zeventienrings mechaniek. Zeventien stalen ringen gaan precies door de zeventien gaatjes in het papier. Hun klemsysteem houdt alle vellen bij elkaar. Kleine handgrepen aan de uiteinden van het mechaniek bedienen het openen en sluiten. Knijp je in het onderste handeltje, dan springen de ringen in het midden uit elkaar. Twee rijen halve ringen staan omhoog. Ze lijken op tanden van een roofdier. De ene helft eindigt in pijlpuntjes, de andere in v’tjes. Ineens zie ik mijn eerste multomap voor me. En het hele boek door ruik ik de vijftiger en zestiger jaren. Het scheve meisje is een wonderschoon boek!

Het scheve meisje, Yvon Né, De Geus, Breda, 2016, ISBN 9 789044 536713

(Bert Bevers)

P.S. Eerder besteedde ik hier aandacht aan haar poëzie:

Op zoek naar verbanden

Hans Mellendijk (° Wisch, 1951) is een creatieve duvel-doet-al. Hij is behalve verwoed blogger vormgever, columnist (voor De Gelderlander), organisator en dichter. Eerder verscheen werk van hem in uitgaven van het HiPP, Het Instituut Praktische Poëzie, en in verschillende bloemlezingen en literaire tijdschriften. Nu is er Lumen, zijn debuutbundel.
Brakke bloemen op de brik geschikt. / Gedachten gepakt, gewogen, gewikt. / Helderder kan ik ’t nu niet krijgen. / Om over betekenis maar te zwijgen. In Kelderhelder lijkt de dichter zich af te vragen of zijn boodschap(pen) wel overkom(t)(en). Wat mij betreft wel, kelderhelder zelfs. Hij is op zoek naar verloren verbanden, ontstemde bekomst. Hoewel ik maar een eenvoudige ἀλφα ben en amper een notie heb van de exacte wetenschappen, ontroert het me hoe Mellendijk zich door βἐτα-schoonheid laat verrukken. Door de atoomdikte van grafeen bijvoorbeeld, voor de uitvinding waarvan Andréj Geim en Konstantin Novoselov in 2010 de Nobelprijs Natuurkunde ontvingen. Ik heb daarbij geen enkel beeld, maar Mellendijk ziet er de pracht onverbiddelijk van in: Zo helder klip en klaar / daar teken ik voor. Dat geldt ook voor de Kepler 62e, de Kepler 62f, koolzuurlawines, magnesiumperchloraat, het werk van de astronoom Clyde Tombaugh, en de GW 150914: Vanuit de achtertuin van ons heelal / slechts anderhalf miljard lichtjaren ver / een knetterhelder signaal. / De Einstein-vergelijking bewezen. / Alberts stinkende gelijk. De grote lijnen van de relativiteitstheorie zijn me enigszins bekend, en ik geloof ook best in de mogelijkheid van tijdreizen, maar op andere momenten geloof ik nog steeds dat we in 1969 gefopt zijn en dat de maanlanding (knap, dat wel) in elkaar is geknutseld in een studio in Hollywood. Voor Hans Mellendijk echter zijn al die dingen waar ik eerst voor moet googelen of ze wel bestaan bijna concrete werkelijkheid. Hij heeft het over slechts anderhalf miljard lichtjaren. Sléchts….In Bewogen tekeningen schrijft hij: alles / golft voel / de rilling door beweging / voel de trilling van het bos // energie / oerknal. Ik ken in onze poëzie niet veel dichters die zo vertrouwd zijn met de exacte wetenschappen (Gerrit Krol zaliger, Maria van Daalen – veel meer schieten me er niet te binnen).
Behalve door fenomenen uit natuur- en wiskunde laat Hans Mellendijk (die ook in Vlaanderen niet helemaal onbekend is: hij trad meermaals op in het Antwerpse) zich ook regelmatig inspireren door beeldende kunst. Door de olieverfschittering voor langere duur waarvoor Vincent van Gogh verantwoordelijk was bijvoorbeeld, door Niek Kemps’ Peepshow (die tijdens Documenta 8 in Kassel was te zien) of door een tekening naar Maarten Biesheuvels verhaal Brommer op zee.
Lumen bevat ook het lange vers Zienderogen, dat drie jaar geleden werd uitgevoerd in de muzikale voorstelling Klinkende Klanken door fanfare AMDG Wehl. Het is het meest talige en tegelijkertijd het langste gedicht in deze bundel. Lumen is een intrigerend debuut dat behalve door leraren Nederlands ook door leraren natuurkunde genoten kan worden….

Lumen, Hans Mellendijk, Lightning Source, Varsseveld, 2016, ISBN 978 1 36 430374 7

(Bert Bevers)

Tastbaar de troost die zichtbaar wordt

Al jarenlang ben ik een liefhebber van het werk van Frans Budé (° 1945). Zijn debuut Vlammend marmer uit 1984 vond ik reeds prachtig. Hij heeft me sindsdien, we zijn inmiddels 31 jaar en vele bundels verder, nooit teleurgesteld. Wat doet zijn poëzie? De dichter geeft, in het eerste gedicht van de cyclus Visioen, naar mijn gevoel zelf afdoend antwoord: Alles wat rest is steeds opnieuw het landschap // van zijn nevels te ontdoen, de schittering / polijsten, tastbaar de troost die zichtbaar wordt. Mooi daarbij aan sluit het slot van dezelfde reeks: We maakten ons / kenbaar aan de wind, werden aanhoudend / aanwezig in het verdwijnen en weer verschijnen.
De goede verstaander heeft aan dergelijke zinnen genoeg. Frans Budé laat zich altijd wel inspireren door beeldende kunst, maar in deze bundel wel heel uitdrukkelijk: Bas Jan Ader, Armando (Men zegt dat je een breekbaar  masker draagt, de nacht / een slurpend monster is, zich voortplant in de dood. / Je gelooft het niet en schreeuwt het uit.), Christo (Hoe til je een boom naar de hemel, kleed je / hem aan voor een bruiloft?), James Ensor (Jij alleen in de kamer, handjeklap, lachend // in jezelf, zwierig ijn alles, je ogen klampen zich aan ons vast), Thomas Junghans, Frida Kahlo (Erbarmelijk blijf ik overeind, niets anders rest mij // dan ondoordringbaar jou aan te staren, zorgzaam wakend // over mijn angst – diep gegrift in de kerven van het middenrif.), Kazimir Malevitsj, Paula Modersohn-Becker en Rob en Marijke Stultiens zijn hier inspiratoren van dienst.
Daarnaast deze keer verhoudingsgewijs veel verzen die zijn opgedragen aan collega-literatoren. Zo zijn er vier in memoriams, voor de overleden dichters Hans Groenewegen, Gerrit Kouwenaar, H.H. ter Balkt en Hans van de Waarsenburg (Je schreef ons ooit: ‘Ik draag een dode dichter in mij mee, / Hij spreekt niet meer mijn zinnen.’ O droefheid van // langzaam wegijlende klanken, jouw stem die voor altijd / in mijn hoofd zingt, vastberaden, ach, als je dat eens wist.) en is er de cyclus Hellevuur. Daarin stelt Budé zuiver op een aantal auteurs dat de gruwel van de Groote Oorlog als strijder aan den lijve heeft meegemaakt: Guillaume Apollinaire, Ernest Hemingway, Blaise Cendrars, Alain-Fournier en Wilfred Owen.
Voorts scherpte de dichter zijn pen onder meer bij bomen, een koe, landschappen, reizen, een stierenkop en tuinen. Achter het verdwijnpunt gaat voorlopig de boekenkast nog niet in. Dit is zo’n bundel waaruit je iedere dag wel een gedicht op je in wil laten werken. Wat mij betreft opnieuw een wonderschone verrijking van ’s mans oeuvre, en een heuse aanrader.
Tot slot nog even opmerken dat er sprake is van een opmerkelijke trouw tussen Frans Budé en zijn uitgever: Achter het verdwijnpunt is namelijk al de dertiende bundel van zijn hand op rij die bij Meulenhoff verschijnt. Een indrukwekkende reeks, zeker in een uitgeeftechnisch zo kwetsbaar genre als poëzie.

Achter het verdwijnpunt, Frans Budé, Meulenhoff, Amsterdam, 2015, ISBN 978 90 290 9110 7

(Bert Bevers)